De geschiedenisles over Franco die miljoenen Spanjaarden nooit kregen

zondag, 28 september 2025 (19:33) - InSpanje

In dit artikel:

In Spanje blijft de burgeroorlog (1936–1939) en de daaropvolgende dictatuur van Francisco Franco (1939–1975) voor veel jongeren onhelder omdat scholen het onderwerp lang vermeden en nog steeds oppervlakkig behandelen. Historicus Juan Sisinio Pérez Garzón (emeritus, Castilla‑La Mancha) betoogt dat leerlingen vaak niet de fundamentele feiten en gevolgen leren die nodig zijn om deze periode en haar impact op de moderne Spaanse samenleving te begrijpen.

Waarom ontbreekt die kennis? Na Franco’s dood in 1975 kozen politieke elites deels voor een “pact van het vergeten” om de overgang naar democratie niet te belasten met open confrontatie met het verleden. Daardoor bleef het onderwerp decennialang weinig aan bod in de klas. Pas met de Wet op de Historische Herinnering van 2007 werd aandacht voor de burgeroorlog en het franquisme wettelijk in het curriculum verankerd, en in 2022 werd die verplichting onder de Wet op de Democratische Herinnering verder benadrukt. Toch gaat de invoering stroef: het thema staat vaak achterin methodes, komt meestal pas in het laatste middelbaarjaar aan bod en wordt per docent verschillend uitgewerkt. Docenten hebben weinig uren geschiedenis, onvoldoende opleiding over dit beladen hoofdstuk en moeten navigeren tussen familieherinneringen, politieke gevoeligheden en regionale onderwijsverschillen.

De onderwijspraktijk wordt bovendien rechtstreeks politiek beïnvloed. Recent verwijderde de regioregering van Madrid onder leiding van Isabel Díaz Ayuso een verplichte scholingscursus voor leraren die hen zou moeten helpen het franquisme en de burgeroorlog bespreekbaar te maken; critici zeggen dat dit de nationale wetgeving ondermijnt. Ook speelt decentralisatie van het onderwijs in autonome regio’s een rol: curricula en uitvoering kunnen regionaal verschillen, waardoor historische kennis ongelijk verspreid raakt.

Wat hadden leerlingen moeten leren volgens Sisinio? De kernfeiten: de oorlog begon op 18 juli 1936 met een militaire opstand van nationalistische generaals onder aanvoering van Franco tegen de democratisch gekozen Tweede Republiek; de oorlog kostte naar schatting zo’n 700.000 levens; Franco’s opmars werd gesteund door nazi‑Duitsland en fascistisch Italië, terwijl veel republikeinse steun ontbrak; de overwinning van 1939 leidde tot decennialange repressie, censuur, gevangenschap en massale vluchtelingenstromen (ongeveer 500.000 uitgeweken). Na Franco’s dood werd de dictatuur afgebouwd en stond Spanje weer open voor democratie, maar veel daders werden nooit berecht.

Sisinio waarschuwt dat het gebrek aan historische kennis de kwetsbaarheid van democratie verhult: wie het verleden niet kent, loopt risico fouten te herhalen. Een recente peiling waarnaar hij verwijst laat zien dat een aanzienlijk aandeel jonge mannen in Spanje autoritaire regimes onder bepaalde omstandigheden prefereren — een zorgwekkende indicatie van hoe weinig lessen uit het verleden zijn doorgedrongen.

Kort gezegd zou onderwijs over deze periode feitelijke basiskennis moeten bieden (oorzaken, sleuteldata, internationale betrokkenheid), de maatschappelijke gevolgen (repressie, exil, slachtoffers) en democratische lessen (waarom rechtsstaat en verantwoording belangrijk zijn). Zonder die structurele verankering blijft de herinnering gefragmenteerd en politiek beladen, met gevolgen voor het collectieve geheugen en de civiele weerbaarheid van toekomstige generaties.