De Spaanse economie bloeit, maar veel Spanjaarden merken daar weinig van
In dit artikel:
Spanje blijft in 2026 de snelst groeiende grote economie van de eurozone, met vorig jaar 2,8 procent groei en dit jaar naar verwachting nog altijd ruim boven het Europese gemiddelde. De opmars komt vooral door sterke binnenlandse bestedingen, meer banen, dalende werkloosheid en de komst van arbeidsmigranten die tekorten opvullen in sectoren als zorg, horeca en bouw. Economen zoals Nobelprijswinnaar Christopher Pissarides prijzen die prestaties, maar wijzen tegelijk op de hardnekkig hoge jeugdwerkloosheid.
Tegelijk voelt die economische opleving voor veel Spanjaarden weinig tastbaar. Meer dan de helft vindt dat hun situatie slechter is dan voor de coronapandemie, vooral door dure huisvesting en hogere prijzen voor boodschappen en diensten. In steden als Madrid, Barcelona, Málaga en Valencia is wonen voor veel mensen bijna onbetaalbaar geworden, terwijl lonen vaak niet genoeg meestijgen om de inflatie bij te benen.
Het artikel schetst daarmee een land met twee gezichten: internationaal een succesverhaal, maar thuis een economie waar groei vooral terechtkomt bij huiseigenaren, toerisme en bedrijven, en minder bij huurders, jongeren en lagere inkomens. De afhankelijkheid van toerisme versterkt dat beeld en maakt Spanje bovendien kwetsbaar. Voor premier Sánchez kan de sterke economie politiek pas echt voordeel opleveren als de koopkracht verbetert en de woningcrisis afneemt, terwijl de verkiezingen pas in 2027 zijn.
De Oranjezomer: Amerikaanse muggen hebben het gemunt op Raymond Mens