Hoe Spanje overstapte van peseta's naar euro's

woensdag, 13 mei 2026 (08:02) - InSpanje

In dit artikel:

In Spanje was de peseta meer dan een eeuw de gangbare munt: vanaf 1868 tot de invoering van de euro in 2002. Regionale varianten van de naam bestonden — in Catalonië pesseta, in het Baskenland pezeta en in Aragón peceta — maar overal ging het om dezelfde munteenheid die tot in sommige overzeese gebieden (zoals Equatoriaal-Guinea) werd gebruikt. De precieze herkomst van 'peseta' is omstreden: veel historici herleiden het Catalaanse peceta (verkleinwoord van peça, ‘stuk’) terwijl de Real Academia Española het verbindt aan het oude woord peso, waarvan ook de Latijns-Amerikaanse pesos afstammen.

De naam en de munt duiken al vroeg op in de geschiedenis: in de jaren 1836–1837 betaalde de regering van Isabella II troepen met munten waarop '1 peseta' stond; de betaalde soldaten kregen de bijnaam peseteros, een term die later een negatieve connotatie kreeg voor mensen die alles voor geld doen. Gedurende de 20e eeuw varieerden ontwerpen en metalen samenstelling sterk; populaire voorbeelden zijn de goudkleurige 1-pesetamunt met de bijnaam la rubia en de 25- en 50-pesetamunten met een gat in het midden, symbolen die nog veel nostalgie oproepen.

De euro werd in Europa tijdens een top in Madrid (1995) officieel naar voren geschoven als naam voor de nieuwe gemeenschappelijke munt. Op 1 januari 2002 trad de euro in twaalf landen als wettig betaalmiddel in werking; op 1 maart 2002 verdween de peseta definitief uit het betalingsverkeer. De invoering ging gepaard met campagne‑materiaal en praktische maatregelen: de huidige koningin Letizia werkte toen als nieuwslezeres en introduceerde het nieuws over de euro, er waren tv-campagnes met de kleipoppetjesfamilie García om mensen rekenkundig aan de nieuwe munt te laten wennen, en Spaanse banken openden zelfs op een feestdag zodat mensen eurobiljetten konden opnemen. Vooraf konden inwoners starterspakketjes met euromunten kopen.

Voor veel Spanjaarden staat de peseta gelijk aan vakantiepret, contant winkelen en de beroemde ‘todo a cien’-winkels waar veel artikelen voor 100 peseta werden verkocht. 100 peseta kon destijds verrassend veel kopen — een kopje koffie of een ijsje — iets wat in grote steden sindsdien fors duurder is geworden. De invoering van de euro veroorzaakte onvrede omdat prijzen vaak naar boven werden afgerond; veel mensen dachten ten onrechte dat 1 euro gelijk was aan 100 peseta, terwijl de officiële omrekenkoers 166,386 peseta per euro was.

Economisch bracht de euro duidelijke voordelen: lagere rentes, minder wisselkoersrisico, meer investeringen en veel lagere inflatie dan in voorgaande decennia. Goedkopere hypotheken stimuleerden bovendien de bouwsector — wat jarenlang groei gaf maar ook bijdroeg aan de vastgoedzeepbel die in 2008 leidde tot een zware crisis. De euro verbood dus niet alle structurele kwetsbaarheden van de Spaanse economie, maar veranderde wel het betaal- en financiële landschap voorgoed. Eén les bleef hangen in het collectieve geheugen: 1 euro was nooit simpelweg 100 peseta.