La Desbandá: de 'karavaan van de dood' op de weg Málaga-Almería (februari 1937)
In dit artikel:
Begin februari 1937 besloten circa 100.000 inwoners van Málaga onder de dreiging van Franco’s troepen te vluchten naar Almería. De uittocht, later bekend als La Desbandá, verliep over één smalle kustweg (nu N340) die tussen de Sierra Nevada en de zee kronkelde en vergde minstens vijf dagen lopen. De meeste vluchtenden waren vrouwen, kinderen en ouderen; er was nauwelijks voedsel, geen vervoer en weinig dekking tegen hitte overdag en kou ’s nachts. Duitse, Italiaanse en Moorse nationalistische eenheden bestookten de kolonne vanuit de lucht en vanaf zee, waardoor de massale evacuatie in korte tijd veranderde in een nachtmerrie.
De Canadese arts Norman Bethune, lid van de Internationale Brigades, richtte een mobiele bloedbank in om gewonden te helpen. Met een omgebouwde bus bezocht hij hulpposten langs de route en trof plekken waar duizenden uitgeputte mensen liepen — veelal blote voeten, gehavende lichamen en honderden weeskinderen. Bethune en zijn team moesten pijnlijke keuzes maken over wie ze konden meenemen; uiteindelijk redden ze families met veel jonge kinderen en kinderen zonder ouders, en vervoerden zij per rit tientallen mensen naar ziekenhuizen in Almería. Dankzij hun inzet werden veel levens gered, maar de wreedheid bleef onverminderd.
Op 12 februari 1937 leek de havenstad Almería een veilige bestemming: ongeveer veertigduizend vluchtelingen waren daar samengekomen in de hoop op bescherming, voedsel en medische zorg. Die avond bombardeerden Italiaanse en Duitse vliegtuigen het centrum van de stad doelbewust; de alarmsirene klonk nauwelijks voor de eerste bom viel. Bethune beschreef later de aanblik van talloze doden en stervenden, en noteerde hoe het gekreun en geschreeuw samensmolten tot “één massale kreet van een afschuwelijke intensiteit”. Velen waren vermoord of gewond tijdens hun vlucht, de enige “misdaad” was het kiezen voor de Republikeinse zijde.
Overlevenden getuigen van extreme ontbering: kinderen zonder schoenen, families die elkaar kwijtraakten, vluchtelingen die onderweg meel met water aten en mensen die liever zelfmoord pleegden dan in handen van de nationalisten te vallen. Kinderen zagen en ervoeren directe verschrikkingen; een jongen herinnert zich vrouwen die bloedend hun baby’s probeerden te voeden, anderen zagen opgehangen milicianos en fusillades langs de weg.
Bijna negentig jaar later krijgt La Desbandá voor het eerst een speelfilm: regisseur uit Málaga Coke Arijo werkt aan Largo camino rojo; het project ontving 30.000 euro van het Spaanse ministerie van Cultuur voor scenarioontwikkeling. Daarnaast wordt de tragedie jaarlijks herdacht: tussen 5 en 14 februari loopt dit jaar voor de tiende keer de mars ter nagedachtenis onder de titel “Voces que no callan”. Organisatoren verbinden de herinnering aan La Desbandá expliciet met hedendaagse vluchtelingencrises en oorlogen in onder meer Oekraïne, Palestina en Soedan, en benadrukken dat herdenken zowel aanklagen als waarschuwen is.
De gebeurtenissen zijn gedocumenteerd in Bethunes verslagen en later publicaties over “El crimen de la carretera Málaga–Almería”; de route en de verhalen van overlevenden blijven symbool staan voor de gruwelijkheden waarmee ongewapende burgers in oorlogstijd worden geconfronteerd.