Prehistorisch mysterie in de Pyreneeën: grot op grote hoogte is raadsel voor archeologen

dinsdag, 5 mei 2026 (11:33) - InSpanje

In dit artikel:

Op ruim 2.200 meter in de Pyreneeën hebben archeologen de tot nu toe hoogste prehistorische vindplaats in die bergketen blootgelegd: een afgelegen grot (Cueva 338) met sporen van herhaald menselijk gebruik. De opgravingen lopen onder leiding van de Universitat Autònoma de Barcelona en IPHES‑CERCA.

Wat opvalt is het herhaalde vuurgebruik: onderzoekers telden 23 haarden verspreid over verschillende lagen, soms bovenop elkaar, wat duidt op terugkerende bezoeken. In die haarden vonden ze ook groen verkleurde, verhit materiaal dat waarschijnlijk malachiet is — een mineraal dat verband houdt met vroege koperbewerking. Enkele vondsten dateren rond 3200 v.Chr., wat erop kan wijzen dat metaalgebruik op het Iberisch Schiereiland mogelijk eeuwen eerder begon dan tot nu toe werd aangenomen. De grot lijkt geen plaats waar eindproducten werden vervaardigd, maar eerder een locatie om kopererts te verhitten en voor te bereiden; verdere bewerking vond vermoedelijk elders plaats.

Naast technische resten kwamen persoonlijke voorwerpen aan het licht: sieraadjes zoals een schelphanger die vergelijkbaar is met vondsten elders in Catalonië (een aanwijzing voor contacten tussen gemeenschappen) en een hanger van een beren­tand die waarschijnlijk lokaal symbolisch belang had. Ook zijn menselijke resten gevonden — een vingerkootje en een melktand van een ongeveer elfjarig kind — waarvan de betekenis onduidelijk blijft; de grot kan ook een ceremoniële of begrafenisfunctie hebben gehad.

Gebruik van de grot was niet continu maar seizoensgebonden: tussen circa 5000 en 1000 v.Chr. werd de plek in verschillende periodes bezocht, vermoedelijk alleen van het eind van de lente tot het begin van de herfst vanwege sneeuw in de winter. De onderzoekers benadrukken voorzichtigheid: de opgravingen en analyses zijn nog gaande, en de identificatie van malachiet moet nog definitief worden bevestigd. Desondanks dwingt de vondst tot herziening van het beeld van prehistorische gemeenschappen: zij trokken hoger de bergen in — doelgericht en met technieken om daar te werken en te overleven.