Spanje beste land van Europa voor lhbtiq+-rechten
In dit artikel:
De 2026-editie van de Regenboogkaart van ILGA-Europe plaatst Spanje voor het eerst op nummer één. Spanje behaalde 89 procent (een stijging van 11 procentpunt) en verdringt daarmee Malta, dat na tien jaar koppositie een punt daalt naar 88 procent. België en Denemarken volgen op 85 procent, IJsland op 84 procent.
ILGA-Europe noemt als redenen dat de Spaanse regering gemaakte beloften heeft uitgevoerd: er is een onafhankelijke instantie opgericht tegen discriminatie, transgender zijn is in de gezondheidszorg niet langer als ziekte bestempeld, en bijna alle autonome regio’s hebben eigen beschermende regels ingevoerd. De centrale regering greep ook in tegen regionale voorstellen van PP en Vox die rechten wilden beperken; zo sleepte zij een omstreden wet uit Valencia voor de rechter omdat die conversietherapieën mogelijk zou maken, praten over seksuele diversiteit op scholen zou verbieden en ouders de geslachtswijziging van hun kind konden blokkeren. De rechter beoordeelt die zaak momenteel; vergelijkbare plannen in Madrid zijn eerder al verworpen.
Tegelijk waarschuwt ILGA-Europe dat op veel plekken in Europa rechten onder druk staan: Frankrijk (15e, 60%), het Verenigd Koninkrijk (22e, 44%) en landen als Duitsland, Italië en Portugal signaleren terugslagen. Onderaan de lijst staan Wit-Rusland, Turkije, Azerbeidzjan en Rusland (alleen 2–7%). De VS worden ook genoemd wegens groeiende aanvallen op transrechten. Nederland staat onveranderd op plek 13 met 64 procent; het EU-gemiddelde is 52 procent, voor heel Europa 43 procent.
ILGA-Europe wijst voor Spanje nog twee aandachtspunten aan: het nationale plan tegen haatmisdrijven en geweld schiet te traag op, en de wet erkent nog geen niet‑binaire genders. Zoals Katrin Hugendubel opmerkt: "Rechten op papier betekenen niet automatisch dat mensen zich veilig voelen op straat."