Tienduizenden eisen hogere lonen en betaalbare woningen op Dag van de Arbeid in Spanje
In dit artikel:
Op 1 mei gingen in heel Spanje honderdduizenden mensen de straat op tijdens de nationale Dag van de Arbeid. Vakbonden hadden meer dan honderd manifestaties georganiseerd; de centrale mobilisatie vond dit jaar in Málaga plaats, waar duizenden betogers samenkwamen om te eisen dat de economische groei zich vertaalt in hogere lonen, betaalbare huisvesting en betere arbeidsrechten.
Vakbondsleiders Pepe Álvarez (UGT) en Unai Sordo (CCOO) benadrukten dat werknemers mee moeten profiteren van de voorspoed van de economie. Málaga werd bewust als hoofdlocatie gekozen omdat de stad de schrijnende wooncrisis illustreert: de huizenprijzen zijn er in vijf jaar met zo'n 40 procent gestegen, iets wat de vakbonden waarschuwden als een risicovolle sociale situatie. Ook werd er scherp aangeklaagd dat internationale conflicten—onder meer de situatie in Iran—en het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten aanleiding geven tot bezorgdheid.
Grote bijeenkomsten vonden verder plaats in Madrid (UGT meldt circa 50.000 deelnemers), Barcelona en tal van andere plaatsen, van Sevilla en Valencia tot Bilbao, de Canarische en Balearische Eilanden en de autonome steden Ceuta en Melilla. In het Baskenland vroeg vakbond ELA om een minimumloon van 1.500 euro. Ook ministers liepen mee: arbeidsminister Yolanda Díaz pleitte voor sterkere arbeidsrechten en collectieve loononderhandelingen; cultuurminister Ernest Urtasun was aanwezig in Barcelona.
De acties in Spanje weerspiegelen een breder internationaal geluid: overal wordt opgeroepen tot meer sociale rechtvaardigheid, vrede en eerlijke verdeling van economische groei. De Dag van de Arbeid fungeert zo zowel als uiting van solidariteit als als barometer voor opgelopen sociale spanningen.