Van schaamte naar trots: de vergeten geschiedenis van een beladen Spaanse achternaam
In dit artikel:
Eeuwenlang kregen vondelingen in Spanje een signalerende familienaam: Expósito, afgeleid van het Latijnse expositus (‘buiten geplaatst’). Kerkelijke instellingen en burgerlijke ambtenaren gebruikten zulke neutrale of symbolische namen om kinderen zonder bekende ouders te registreren. Andere voorbeelden waren Blanco, Incógnito of Diosdado; regionaal kwamen namen voor als Deulofeu (Catalonië) of lokale benefactors- of vindplaatsnamen in Navarra.
De aanduiding Expósito maakte meteen duidelijk dat iemand als vondeling was grootgebracht en bracht vaak maatschappelijke uitsluiting met zich mee. Pas in de twintigste eeuw verschoof de maatschappelijke blik: het Reglamento del Registro Civil van 1958 maakte het mogelijk achternamen te laten wijzigen, en geleidelijk verloor Expósito zijn uitsluitend stigmatiserende lading.
Tegenwoordig is Expósito een gewone familienaam geworden: ruim 34.000 Spanjaarden dragen hem als eerste achternaam, ongeveer 37.000 als tweede en 382 personen staan officieel als Expósito Expósito ingeschreven. Een variant, Espósito, komt vooral in Andalusië voor. Voor veel families staat de naam nu voor veerkracht en het erkennen van een eerder verzwegen verleden. (Ter context: in Spanje gebruiken mensen doorgaans twee achternamen, wat de verdeling tussen ‘eerste’ en ‘tweede’ verklaart.)