Vergeten vrouwen onder Franco: Spaanse heldinnen
In dit artikel:
Maart staat in het teken van vrouwen — en dat werpt ook een schaduw op Spanje’s recente geschiedenis. Tijdens de dictatuur van generaal Francisco Franco (rond 1939–1975) bestond er een strak, door kerk en regime bepaald model voor vrouwelijkheid: echtgenote en moeder boven alles. De katholieke hiërarchie werkte nauw samen met het staatsnationalisme (nationaal-katholicisme) en de fascistische Falange om gedrag, arbeid en moraal van vrouwen te regelen en te controleren.
Recht en dagelijkse praktijk waren streng gericht op het terugbrengen van vrouwen in een keurslijf. Getrouwde vrouwen moesten toestemming van hun echtgenoot hebben — de licencia marital — om te werken, te reizen of een bankrekening te openen. Al in 1938 voerde Franco de Fuero del Trabajo in, een wet die de arbeidsparticipatie van vrouwen ontmoedigde. De Sección Femenina, de vrouwenafdeling van de Falange, organiseerde verplichte cursussen die huishoudelijke taken en moederschap als staatszinleg presenteerden.
Wie van die norm afweek, kreeg repressie te verduren. Religieuze orden en door de staat ingerichte instellingen — het Patronato de Protección de la Mujer — waren instrumenten voor heropvoeding: meisjes en jonge vrouwen konden jarenlang in gesloten centra verblijven, waar isolatie, dwangarbeid en strenge religieuze discipline werden oplegd. Een ander duister facet waren de massale kinderontvoeringen: pasgeborenen van arme of linkse moeders werden vaak als overleden opgegeven en aan welgestelde gezinnen gegeven; die praktijken zijn tot op heden niet volledig opgehelderd.
Tegelijkertijd vertoonden zich vanaf de jaren zestig barsten in het systeem. Meer vrouwen volgden onderwijs, ontmoetten elkaar in buurt- en kerkelijke netwerken en begonnen hun maatschappelijke positie te bevragen. Deze kleine verschuivingen legden de basis voor een breder feministisch verzet in de jaren zeventig en de uiteindelijke overgang naar democratie na Franco’s dood.
Het verhaal van die periode wordt zichtbaar via individuele levens: Consuelo García del Cid Guerra (Catalonië) zat als tiener bijna twee jaar in een Patronato en zette haar leven daarna in om misstanden openbaar te maken; haar werk richt zich ook op de onthulling van de babyroofpraktijken. Juana Doña, een communiste uit Madrid, bracht in totaal bijna twintig jaar in gevangenissen door — waaronder Ventas — en overleefde honger, mishandeling en het verlies van haar partner; na ballingschap publiceerde ze memoires en bleef ze actief. Lidia Falcón combineerde juridische en literaire strijd met feministische organisatievorming; zij hielp in de late dictatuur de opkomende feministische beweging vormgeven.
Er waren ook vrouwen die via de rechtspraktijk verzet boden. Advocaten als Manuela Carmena, Cristina Almeida en Paca Sauquillo (bekend als Las Abogadas) verdedigden arbeiders en politieke gevangenen vaak pro deo. De bomaanslag op een advocatenkantoor in de Calle Atocha in 1977, waarbij vijf doden vielen, schokte Spanje en versneld de druk richting de Transición en democratische hervormingen.
Veel van deze verhalen waren lang onzichtbaar. Naast openlijke verzetsfiguren waren er talloze vrouwen die in kleine, niet-opvallende vormen van verzet hun eigen ruimte opeisten. Hun getuigenissen en onderzoekswerk hebben sindsdien bijgedragen aan het blootleggen van een gewelddadig en controlerend regime — en aan het blijven zoeken naar gerechtigheid voor slachtoffers van de dictatuur.